Schrijfster Mirjam Brandenburg | Ik vind het niet erg als de lezer na een verhaal met vragen blijft rondlopen

Debuteren met een verhalenbundel en lovende recensies krijgen. Mirjam Brandenburg (1970) vertelt in dit mailinterview hoe ze dat voor elkaar kreeg. En wat voor boeken ze zelf mooi vindt! door Roos Geerse

Foto: Merlijn Doomernik

Was het moeilijk om een uitgeverij te vinden? Uitgevers¬†staan over het algemeen niet te springen om verhalenbundels uit te geven.¬†Het mooie is dat ik niet heb hoeven leuren met mijn verhalen. Mijn eerste verhaal, ‘Dark Horse’, schreef ik voor een wedstrijd waarbij ik op de short-list terecht kwam, maar niet won. Het belandde via-via op het bureau van Sander Blom van AtlasContact die onder de indruk was van de stijl en de vorm: werkelijkheid vermengd met fictie. Hij zag direct een bundel voor zich met dit soort bijna waargebeurde verhalen. Zeg je baan op, ga in een hutje op de hei zitten en ga schrijven zei hij. Zo extreem heb ik het niet aangepakt, maar ik ben wel een dag minder gaan werken bij mijn werkgever in Den Haag, de Algemene Rekenkamer. In een gestaag tempo van anderhalve dag per week heb ik vervolgens aan mijn bundel gewerkt die nu dus, een kleine drie jaar later, in de winkel ligt.
Kun je nog wat meer vertellen over de rol van de uitgeverij bij het ontstaan van Vondelingen? Tijdens het schrijven werd ik geholpen door Sander. Hij gaf me het vertrouwen dat ik over een grote dosis talent en een bijzondere vertelstem beschikte en hield me tegelijk scherp door te wijzen op het grotere schema dat achter de verhalen moest zitten, het mocht geen samenraapsel zijn. Om de zoveel weken hadden we een indringend gesprek over wat ik had geproduceerd en eigenlijk was hij (gelukkig) elke keer weer blij verrast.  Soms had hij opmerkingen over de uitwerking van een plot of een karakter, bijvoorbeeld dat je niet teveel zijpaden moet bewandelen, maar vaker gingen zijn opmerkingen over sfeer en woordkeus. Op een bepaald moment gaf hij me een boek van Dautzenberg mee, ik hoefde hem niet te gaan na-apen maar ik kon wel wat opsteken van zijn stijl:  in the face, krachtig, her en der ontwrichtend. Ik ben verschillende keren met de stofkam door mijn verhalen gegaan, zo’n spiegel helpt daar dan wel bij. Na mijn eigen stofkam en die van redacteur Sander Blom volgden nog diverse stofkammen, van verschillende externe meelezers en correctors tot, hijg-hijg-puf, de persklaarmaker met wie je uiteindelijk de drukproef afhandelt.

Dan is je boek af. En dan? Tja, tot dan toe bevind je je als het ware in de backoffice van de uitgeverij, daarna breekt een andere fase aan. Je wordt overgedragen aan de front-office, aan de mensen van marketing en de publiciteit. Daar zijn ze dan blij om te horen dat je twittert, dat je op facebook zit en al een eigen website hebt. Zij zorgen er natuurlijk voor dat je boek ter recensie wordt aangeboden en samen denk je na over de pitch die je daarvoor kan gebruiken. In mijn geval was dat de herkenning van gebeurtenissen uit het nieuws die lezers bij veel van mijn verhalen zullen hebben. Mijn bundel verscheen net voor de verkiezingen en er staat een verhaal in over een TV-debat tussen lijsttrekkers, dat soort dingen kun je dan benutten.

Is er volgens jou wel een publiek voor korte verhalen?
Zeker! Het voor de hand liggende, modieuze antwoord is dat korte verhalen passen in een zapp-cultuur, waarin mensen zoeken naar afwisseling en moeite hebben hun aandacht ergens bij vast te houden. Het korte verhaal biedt een kortstondige, afgeronde ervaring dus dat komt daar mooi aan tegemoet. Daarbij ben ik een hartstochtelijke forens en zie ik hoeveel mensen in het openbaar vervoer e-books lezen. De gemiddelde reistijd die mensen per reis in een bus of trein doorbrengen, schijnt 25 minuten te zijn. Dat is precies genoeg voor het (downloaden en) lezen van één kort verhaal!
Het minder modieuze antwoord, maar even waar, is dat er publiek is voor goeie, mooie verhalen net zoals er publiek is voor goeie, mooie romans. Mensen willen worden ontroerd, afgeleid, opgetild en meegezogen in het boek dat ze lezen en dat kan net zo goed met verhalen als met romans. Zelf lees ik van alles door elkaar. Dik en dun, Nederlands en Engels, romans en verhalen.

Ben je zelf ook een zapper? Ik geef toe dat ik mezelf de laatste tijd wel steeds vaker betrap met de laptop op schoot, de i-pad naast me op de bank en in mijn hand mijn mobiele telefoon of de afstandsbediening. Het schermgebruik begint dus wel excessieve vormen aan te nemen, en dat wil ik proberen in te dammen. Al is het ook wel ergens goed voor. Het idee voor dat verhaal over die TV-debatten kreeg ik tijdens het zappen.

Vertel! ¬†‘Finale’ kwam tot stand in een soort drietrapsraket. Op een avond in de zomer van 2010 zat ik te zappen tussen een interview met Job Cohen en een voetbalwedstrijd die in het kader van het WK werd gespeeld. Cohen zat enorm te schutteren bij de beantwoording van de onbenullige vragen die op hem af werden afgevuurd. Het contrast met wat zich op het andere scherm afspeelde was groot: dribbelende spelers en juichende massa‚Äôs. Zo ontstond tijdens het zappen het idee om voetbal en politiek in een verhaal te vervlechten. Toen vervolgens een maand later in de uitzending van Zomergasten een vlieg op de neus van Paulien Cornelisse ging zitten, was mijn verhaal rond. Meer details geef ik niet prijs want daarmee verklap ik de plot en dat wil ik mijn lezers niet aandoen.

Je tekent mensen op beslissende momenten. Wat daarvoor en daarna gebeurt, lijkt je minder te interesseren. Denk je niet dat mensen die dingen willen weten? Het klopt dat mijn verhalen vaak, bam!, middenin een scene beginnen, en niet allemaal een heel uitgestippeld einde kennen. Je zou het semi-open eindes kunnen noemen. Ik zie mijn verhalen als korte filmpjes waarin je de hoofdpersoon een tijdje, gedurende een spannend plot, dicht op de huid zit en goed leert kennen, om hem daarna weer los te laten. Je hoeft niet alles helemaal uit te kauwen en uit te stippelen. Juist omdat ik nieuwe versies van ware gebeurtenissen beschrijf, zoals bijvoorbeeld de val van de DSB bank en de aanslag op de koningin in Apeldoorn, vind ik het helemaal niet erg als de lezer na afloop nog met vragen rond blijft lopen. Als hij dus getriggerd wordt om zìjn eigen gedachten op die gebeurtenissen los te laten.

Denk je dat je ook nog eens een roman gaat schrijven?
Jazeker! Dat wil zeggen, als ik het writers-block waar ik nu tegen aan zit te kijken geslecht heb.

De recensie van Jeroen Vullings in Vrij Nederland was heel lovend. Wat voor effect had dat op je? Ik heb getwitterd dat ik oerblij was, zoiets voelt toch als de ultieme bekroning. Wat ik leuk vind is dat hij niet alleen heel positief is maar ook erg uitnodigend schrijft over mijn boek, de haakjes maakt naar de gebeurtenissen die achter de verhalen liggen. Daarmee lokt hij lezers naar mijn boek en dat is natuurlijk mooi!

Je treedt veel op. Hoe is het om verhalen voor te lezen? Het is erg fijn om voor te lezen en te merken dat het muisstil wordt tijdens het lezen. Dat er gelachen wordt om passages waar je zelf tijdens het schrijven ook bij zat te grinniken. Gelukkig heb ik nog geen anekdotes in de zin van dat ik van een podium ben gevallen of zo. Die optredens doe ik meestal trouwens met een of twee van mijn maatjes, Annemarie de Gee, Mirjam Boelsums en Koen Van Wichelen. Onze verhalenbundels verschenen tegelijkertijd bij AtlasContact en samen maken we een rondje langs boekhandels en literaire festivals. Het geeft een goed gevoel om niet out there and on your own te zijn. Binnenkort lezen we voor op Crossing Border, ik ben heel benieuwd of we als debuterende schrijvers nog wat publiek kunnen afsnoepen van de muzikale hipsters daar.

Kun je een boek noemen dat erg bekend is en dat jij zelf ook goed vindt? Arggh, ik ben zo slecht in kiezen! Ik vond Bonita Avenue een heerlijk boek, met veel humor, spanning en emotie en vanwege de uitstapjes die naar het Haagse wereldje (mijn werkterrein) worden gemaakt. Maar ik zou net zo goed Knielen op een bed violen van Siebelink kunnen aanraden, een schrijnende liefdesgeschiedenis en een tijdsbeeld van vervlogen calvinistische tijden ineen. Of Onder professoren van Hermans, omdat het zo geestig, is of Het bureau van Voskuil, omdat het zo menselijk is of, of, of…

Kun je ook nog een boek noemen dat meer lezers verdient dan het tot nu toe gekregen heeft? Als slechte kiezer noem ik er weer twee. Weg van Minke Douwesz, een prachtige dikke psychologische soap over een sympathieke psychotherapeute. En Een soort familie van Kees van Beijnum, dat met humor en grote precisie de linnentasjesterreur uit de jaren tachtig blootlegt.

Roos Geerse is de initiatiefnemer van Buzzboeken.

 

Om meer over Brandenburgs boek te lezen of het te bestellen, ga naar Vondelingen. 
Meer over Brandenburg zelf leest u op www.mirjambrandenburg.nl.
 
 
 
[bol_product_links block_id=”bol_509cf81443fff_selected-products” products=”9200000002271550,1001004006389494,9200000007452410,9200000005529352,1001004011542438,1001004007505468″ name=”mirjam” sub_id=”” background_color=”FFFFFF” text_color=”A19292″ link_color=”CB0100″ border_color=”AECF00″ width=”250″ cols=”1″ show_bol_logo=”undefined” show_price=”1″ show_rating=”0″ link_target=”1″ image_size=”1″]

Share Button

geef een reactie