Fragment | Het zesde jaar van Peter Hein

Het zesde jaar is het verhaal over de onwerkelijke en verwarrende wereld van de zevenjarige Joodse jongen Peter Hein die tijdens de Tweede Wereldoorlog zonder zijn ouders van onderduikadres naar onderduikadres ging. Lees hieronder alvast een paar fragmenten.

zesdejaarDe aanloop naar de herfst was net zo warm als het die zomer was geweest. Op het land waren de boeren nog steeds van ’s ochtends tot ’s avonds aan het werk op hun groenteveldjes. Oude, gekromde mannen met petten en grote rode handen, die behoorlijk gevaarlijk konden zijn als je aan hun kant van de sloot aan het vissen was en even niet oplette. Een paar keer was ik op het nippertje ontsnapt als ze, met kluiten aarde gooiend, onverwacht snel op me afkwamen. Op het laatste moment begonnen ze dan te schreeuwen: ´Smous, vuile zwarte smous!´ Zo snel als ik kon, ging ik er hinkend vandoor.
    Niet lang daarvoor bonkte mijn hart tegen mijn ribben als ik, in mijn eentje, buiten rondscharrelde. Ik bleef dicht bij huis. Geleidelijk waagde ik me verder de velden in.
    De distels waren uitgebloeid. In de tuin op de hoek stonden bossen herfstasters. Iedere dag was het mooi weer. Het leek nog zomer. Toch hing er al iets anders in de lucht. De ochtenden begonnen koeler en het was nog lang vochtig van de voorbije nacht. Nevelflarden stegen op uit de sloten. Ze werden snel verdreven zodra de zon hoger kwam. De ijzeren leuningen van de trapjes voor de huizen in onze straat waren eerst nog een tijdje nat van de dauw. Als het warmer werd, droogden ze op, maar ze werden niet meer zo gloeiend heet als in de afgelopen maanden, toen je ze niet kon vastpakken zonder je hand te branden. Herfstdraden zweefden door de lucht, glinsterend in het zonlicht. In de verte, langs de rivier, lagen de huisjes van de boeren scheef weggezakt in het ochtendlicht.
    Ik was weer terug bij mijn ouders. Daar moest ik dankbaar voor zijn, zeiden Pa en Moe Jongerius en tante Cor. Waarom? Waarom moest ik dankbaar zijn? Er was niets veranderd. Het was nog precies zoals in de voorbije jaren, zoals die keren dat ik werd achtergelaten bij mensen die ik nog nooit had gezien. Ook nu was ik bij vreemde mensen ondergebracht, al waren het dit keer dan mijn eigen ouders. Weer een ander huis met andere geuren en geluiden. Zo was het de afgelopen jaren steeds gegaan. Steeds bij anderen. En altijd gebeurde er hetzelfde. Ze bekeken me aandachtig en ik merkte dat ze niet wisten wat ze met me aanmoesten. Steevast begonnen ze over mijn haar: ‘Wat een zwart haar,’ zeiden ze. Vroeger hadden de vrienden van mijn ouders ook zulke dingen gezegd: ‘Wat een prachtig zwart haar heeft dat kind,’ zeiden de vrouwen. Maar de manier waarop de mensen er nu naar keken was helemaal niet bewonderend.
    Mijn verwonding was nog niet genezen, mijn vader leed nog altijd ‘ondráááglijke pijnen’, zoals mijn moeder zei met een kleine trilling in haar stem en met naar de hemel opgeslagen ogen. Uit haar dromen werd ze ’s nachts gillend wakker. Mijn eigen dromen gingen altijd over hetzelfde: een onmetelijk groot gevaar, dat me dreigde te vermorzelen. Ik wilde er voor wegrennen, maar kon niet vooruitkomen.
    Om ons heen was er nog elke dag muziek. De mensen trokken iedere avond naar de buurtfeesten in de stad. Diep in de nacht hoorde ik hen luidruchtig terugkomen. Bij ons woonde verdriet. In de gordijnen, die vaak dicht waren, in de meubels die ons toegewezen waren. In de gesprekken die mijn ouders voerden met de paar mensen die ‘teruggekomen waren’.

[…]

Hele dagen zwierf ik alleen door de landerijen. Vooral wanneer ik moe was, trok ik nog erg met mijn linkerbeen. In de loop van de maanden ging het lopen steeds beter. Vaak ging ik er ’s ochtends vroeg al met mijn visnet op uit. Op jacht naar stekelbaarsjes en salamanders. Ik kwam pas weer thuis als het bijna donker was. Tante Cor vond het maar niets en de vrouwen die naast ons in onze straat woonden en van wie de mannen in de gevangenis zaten, spraken er schande van. Mijn ouders lieten me gaan.

[…]

Vreemd dat het zo lang duurde voordat me weer iets te binnen wilde schieten van de dag waarop het allemaal begon. Nel haalde me op voor een wandeling. Mijn ouders zal ik wel geen gedag hebben gezegd.  En ik zal ook niet hebben gehuild, want ik ging zo vaak een stukje wandelen met Nel, Annie of Zus Clausman. Ditmaal wandelden we veel verder dan anders. Blij over deze lange wandeling en vol verwachting over waar we heen gingen huppelde ik met haar mee. Eerst door de binnenstad, daarna door rustige straten, totdat we bij een bijna vierkant huis kwamen. Een huis met allemaal hoekige kanten, aan een pleintje tegenover een kerk. Het zag er niet gezellig uit. Daar gingen we naar binnen.
    Nel sprak met de man en de vrouw die er woonden. Het leken me ernstige mensen. De man was lang. Zo lang, dat ik dacht dat hij ieder moment in tweeën zou breken. Het leek of hij een stok in zijn jasje had, zo kaarsrecht was hij. Alles aan hem was grijs. Zijn haar, zijn ogen, zijn wenkbrauwen, zijn pak. De vrouw was iets minder lang en nogal mager. Ik vond dat ze een streng gezicht had.
    Ik keek om me heen. De kleine ramen lieten lang niet zoveel licht door als de ramen bij ons thuis. Aan een muur hing een grote spiegel, aan de andere een houten kruis. Thuis hadden we kleurige schilderijen aan de muur die mijn vader zelf geschilderd had. Hier waren geen diepe leunstoelen waar je je bijna in kon verstoppen. Alleen rechte, harde stoelen en zware donkere buffetten in de voor- en achterkamer. Een tafel met dikke donkere poten. Vanaf de zwarte piano keek een woeste kop de kamer in. Ik had zin om naar huis te gaan en dat zei ik tegen Nel.
    ‘Dus hij blijft voorlopig hier,’ zei de man tegen Nel. Ze knikte. Hopelijk zouden Nel en ik snel weer vertrekken. Plotseling stond ze op, gaf me in het voorbijgaan een zoen en ging zonder om te kijken haastig de kamer uit. Meteen daarop hoorde ik hoe de buitendeur achter haar dichtviel. Wat gebeurde er? Waar ging ze heen? De twee keken me zwijgend aan. Nel komt zo terug, dacht ik nog even. Het bleef stil.

Ik voel hoe ze naar me kijken en hoe ze zich verbazen. ‘Echt een Joodje,’ zei de vrouw. ‘Dat lange zwarte haar moet er maar gauw af.’ Ik snapte het niet.

peterheinDe gewezen universitair hoofddocent verloskunde Peter Hein (1939) werkt tegenwoordig als schrijver en beeldhouwer. Over de onderduikjaren van zijn ouders schreef hij De onderduikers, dat net als Het zesde jaar uitkwam bij Meulenhoff Boekerij. Daarnaast schreef hij verhalen voor onder meer Vrij Nederland en NRC.

Share Button

geef een reactie