Hanna Bervoets | Ik heb best veel gehad aan Expeditie Robinson

Over een paar dagen verschijnt de derde ondergangsroman in een half jaar, Alles wat er was van Hanna Bervoets (1984), over een groep mensen die na een onduidelijke ramp vast komen te zitten in een school. In dit mailinterview vertelt Bervoets over haar inspiratiebronnen en de boeken die ze zelf goed vindt. door Roos Geerse

foto: Stephan Vanfleteren

foto: Stephan Vanfleteren

Alles wat er was gaat over mensen in een extreme situatie. Wat bracht je ertoe dit boek te schrijven? Ik wilde al heel lang iets schrijven over mensen die samen opgesloten raken in een ruimte. Bijvoorbeeld door een aardbeving, of andere natuurramp. Ik denk dat ieder mens uiteindelijk anders reageert op een dergelijke situatie. De meeste mensen zullen – als ze maar lang genoeg vast zitten – uiteindelijk gewoon gek worden. Maar het punt waarop dit gebeurt, en vooral de manier waarop, verschilt weer. Dat waren allemaal dingen die me fascineerden, en die ik met deze roman uitgezocht heb.

Je bent een fan van Expeditie Robinson. In hoeverre heb je inzichten die dat je opleverde kunnen gebruiken? Ik heb alle afleveringen van Expeditie Robinson gezien, en daar heb ik best veel aan gehad. Voor Expeditie Robinson casten ze expres types die met elkaar zullen botsen. Er zit bijvoorbeeld altijd een stoere alfaman in, die uit zichzelf van alles begint te bouwen. Wat minder ondernemende types kijken dan slechts toe, onder het mom tja, hij neemt ons al het werk uit handen. Wanneer de alfaman uitgeput begint te raken, gaat de apathische instelling van anderen hem irriteren. Waarom doen zíj niets? vraagt hij zich af. En zo ontstaat dan conflict. In die zin heb ik ook over de ‘casting’ van mijn eigen personages nagedacht. Mensen uit verschillende lagen van de bevolking, niet allemaal even oud, verschillende levensvisies. En zowel bij Expeditie Robinson als in mijn boek draait het niet alléén om sociale verhoudingen, maar ook om het overleven onder extreme omstandigheden. Weinig voedsel, nauwelijks slaap. Wanneer raken gedragscodes ondergeschikt aan vermoeidheid? Hoe rantsoeneer je een voedselvoorraad wanneer je niet weet hoe lang je nog vast zult zitten? Hoe houd je jezelf mentaal en fysiek bezig als je omgeving nauwelijks prikkels biedt? Dat soort dingen heb ik allemaal van Expeditie Robinson afgekeken.

En dan heb je natuurlijk ook nog meegedaan aan Wie is de Mol? Ja, ook daar zit je plots met een groep vreemden opgescheept. Iedereen is constant met elkaar bezig. Wie gedraagt zich vreemd, en is dus de Mol? Probleem is alleen dat je deze mensen niet kent. Je wéét dus niet wie zich vreemd gedraagt, je kent zijn ‘normale’ gedrag niet. Een dergelijk probleem zit ook in Alles wat er was. Hoofdpersoon Merel vindt een potje pillen, en wil erachter komen van wie ze zijn. Wie gedraagt zich anders, vraagt ze zich af. Daarmee begint een soort zoektocht naar de mol. En naar de vraag wat een begrip als ‘anders’ eigenlijk inhoudt.

Had je voor dit boek ging schrijven andere boeken in dit genre gelezen? Veel (post) apocalyptische boeken heb ik niet gelezen, maar ik heb wel altijd een zwak gehad voor films met een apocalyptisch thema, zoals Contagion en 12 monkeys. Toen ik begon met schrijven heb ik dit soort films expres gemeden, om niet al te veel beinvloed te raken. Maar toen het boek bijna afwas, stond ik mezelf het genre weer toe, en heb ik Perfect sense en 28 days later gezien. Ook ben ik de serie The walking dead gaan volgen, over een wereld die overspoeld is door zombies. De serie bleek raakvlakken met mijn boek te hebben. Ook in The Walking Dead gaat het over een groep mensen die samen moeten werken om te overleven, waardoor de morele grenzen gaan schuiven.

Het eerste apocalyptische boek geschreven was Last man van Mary Shelley, de bedenker van Frankenstein. Sindsdien lijken ondergangsromans echter vooral te worden geschreven door mannen. Roderik Six kwam eind vorig jaar met Vloed en Willem Bosch met Op zwart. En daarvoor hadden we al De ontelbaren van Elvis Peeters. Denk je dat er een verschil is tussen mannen en vrouwen in de manier waarop ze dit thema aanpakken? Dat weet ik eigenlijk niet. Ik heb te weinig apocalyptische boeken gelezen om een vergelijking te maken. Daarnaast vind ik het heel lastig om iets generaliserend over de verschillen tussen mannelijke of vrouwelijke schrijvers te zeggen. Iedereen schrijft anders. Of die verschillen voortkomen uit het geslacht van de schrijver kun je nooit nagaan. Het zou er ook eigenlijk niet toe moeten doen.

Je leest dus niet zoveel avonturenromans. Wat voor romans lees je wel? Ik lees bijna uitsluitend hedendaagse, Nederlandse romans. Schrijvers als Arnon Grunberg en Stephan Enter vind ik goed, maar ik lees ook graag schrijvers van mijn eigen generatie. Maartje Wortel bijvoorbeeld, haar boek Half mens vond ik het beste boek van 2012. Ik ben vooral fan van haar stijl. Die is subtiel en humoristisch tegelijk, een hele knappe combinatie. Ook las ik onlangs het debuut van Maurits de Bruijn, Broer. Het hoofdpersonage gaat op zoek naar zijn overleden broer, en daarmee ook naar zijn eigen identiteit. De Bruijn schrijft heel poëtisch, associatief soms bijna. Daarnaast is homoseksualiteit een belangrijk thema in zijn werk. De Bruijn laat dus zowel in stijl als thematiek een nieuw geluid horen, en onderscheidt zich zo van andere jonge schrijvers.

Opmaak 1
 

Klik hier voor de drukproef van het eerste hoofdstuk. Alles wat er was ligt vanaf 17 januari in de winkel.
 
 

Share Button
  1. Twee maanden geleden twitterde uitgever Tilly Hermans al dat ze weer een apocalyptische roman aangeboden had gekregen van een jonge auteur. Of dat echt iets zegt over deze tijd, zoals zij beweert, is uiteraard moeilijk te beoordelen. Feit is dat in het najaar van 2012 twee auteurs debuteerden met een apocalyptische roman, Roderik Six kwam met Vloed en Willem Bosch met Op zwart, terwijl De ontelbaren van Elvis Peeters voor het eerst verscheen in 2005.

geef een reactie