Jacqueline Zirkzee | deleted scene uit Reimer

 
reimerDe hoofdpersoon in Reimer van Jacqueline Zirkzee is geen held in de gebruikelijke zin van het woord. Hij is niet bijzonder ondernemend of avontuurlijk ingesteld. Tot hij middenin een pestepidemie terechtkomt en van nabij meemaakt wat de Zwarte Dood aanricht. Als hij zijn diepste verlangen wil volgen – het uitroeien van deze gruwel – zal hij boven zijn omgeving en zichzelf moeten uitstijgen. Lees hieronder een scene die de schrijfster geschrapt heeft en waarom ze deze geschrapt heeft.

***

Het leven was vol prettige vooruitzichten geweest voor Simon tot zijn moeder ziek werd. Daarna ging al het geld op aan papjes en drankjes die niet hielpen. Ma was sinds een paar dagen ook af en toe verward, en ze klaagde dat ze haar ene been niet meer voelde. Buurvrouw Sjanie, die overdag op zijn ma paste, deed bovendien steeds moeilijker over de tijd en de moeite die haar dat kostten. Mede daarom had hij zijn werk in de haven zo snel mogelijk gedaan.
    ‘Is meester Jan nog geweest?’ vroeg hij aan Sjanie toen hij thuiskwam. Sjanie was een schriele vrouw van middelbare leeftijd met een spitse neus. Grijze haren piekten van onder haar smoezelige muts langs haar tobberige gezicht. Haar blauwe ogen keken vermoeid en afwerend.
    ‘Nee kind, hij kan niets meer doen, dat heeft hij toch gezegd?’ zuchtte ze. ‘Het is de Spaanse ziekte, en ze is er al veel te ver mee heen.’
    Simon voelde het bloed naar zijn hoofd stijgen. ‘Dat is niet waar!’ Daarom had hij juist gewild dat meester Jan nog een keer kwam kijken, liefst wanneer Simon er zelf bij was zodat hij hem kon vertellen dat hij nog eens goed naar zijn moeder moest kijken omdat ze de Spaanse ziekte niet kon hebben, want die kregen alleen de hoeren.
    Sjanie keek hem meewarig aan. ‘Soms merk je het pas heel laat, na jaren en jaren, maar dan zit het er al lang. Dat is het risico van het vak.’
    Woest liep Simon naar de deur toe. Ze deinsde achteruit. ‘Mijn moeder is nooit een snol geweest!’ schreeuwde hij met overslaande stem. ‘Dat ben je zelf! Rot toch op met je smerige praatjes!’ Hij gooide deur met een klap achter haar dicht.
    ‘Weet je wat jij doet, vuil hoerenjong? Je zoekt het maar uit met die moeder van je! Ondankbaar stuk vreten!’ klonk het gedempt vanaf de straat.

Simon leunde met zijn rug tegen de deur en voelde zijn benen trillen. Zijn rug en schouders deden pijn van het sjouwwerk. Hij zag dat er een pot bonensoep op tafel stond met een houten lepel rechtop erin gestoken. Hij begon van de dikke, nog lauwwarme brei te eten, dacht toen aan zijn moeder en schepte iets uit de pot over in een kom. Bij het bed gekomen zag hij dat buuf Sjanie al een bord voor de patiënt had neergezet. Het leek erop dat Ma er een paar happen van had genomen. Ze sliep.
    Simon ging naast haar op de vuile grond zitten en at de kom vlug leeg, vulde hem nog een keer en at hem weer leeg, nu iets langzamer. Na enig nadenken nam hij een derde, kleinere portie, waarbij hij langzaam kauwde en zich bewust werd van de volmaakt bevredigende vulling die het gerecht van grote melige bonen, zachtgekookte uien en een vleugje zwoerd bood. Na de zware maaltijd voelde zijn buik twee keer zo dik aan als normaal. Hij kroop naast zijn moeder in bed. Hij was hondsmoe, maar zijn buik borrelde en pruttelde zo erg dat hij niet kon slapen. Hij bleef heel stil liggen om zijn moeder niet te storen en staarde naar haar uitgeteerde gezicht terwijl het licht dat door het kleine raam met de schuine gele ruitjes de armoedige eenkamerwoning in scheen langzaam verdween. De steeds vager wordende gloed lichtte nog heel even warm op door de late avondzon maar smolt al gauw weg in een stil, grauw duister waarin de enige geluiden die van Simons overbelaste darmen waren.
    De vader van Simon was geen hoerenloper, en zijn moeder was geen hoer. Hoe kwam Sjanie erbij? Ma was een eerbare vrouw die iedereen met opgeheven hoofd kon aankijken. Zijn pa was een dappere zeeman die in het najaar van 1607 in dienst van de vijf jaar eerder opgerichte Verenigde Oost-Indische Compagnie uit Marsdiep vertrokken was met de vloot van admiraal Pieter Willemszoon Verhoeff. Hij was naar de Specerijeilanden in de Oost gevaren op het schip van Jan Pieterszoon Coen, toen nog een onbekend onderkoopman maar intussen wijd en zijd bekend als de gouverneur-generaal van Oost-Indië, het verre eilandenrijk waar ongekende rijkdommen vandaan kwamen.
    Al sinds zijn moeder hem alleen de straat op liet gaan was Simon gespitst op ieder nieuwtje dat meekwam met de terugkerende schepen in het voor- en najaar, maar niemand van de zeelui die hij ernaar vroeg kon hem iets over zijn vader vertellen. Dat speet Simon, maar zijn geloof dat ze eens herenigd zouden worden, werd er niet door aan het wankelen gebracht. Het maakte niet uit dat de matrozen hem uitlachten, of dat nu achter zijn rug om of in zijn gezicht was. Hij wist hoe zijn vader heette en de hilariteit die het noemen van die naam wekte, weet hij aan de botheid van het scheepsvolk. Hun spot raakte hem niet. Op een dag zou zijn vader terugkeren, of Simon zou hem gaan zoeken en vinden. Dan zou hij hen uitlachen.
    ‘Was hij bij admiraal Verhoeff op de Banda eilanden?’ vroeg een van de matrozen zich hardop af nadat Simon hem had aangesproken. ‘Dan ziet het er slecht uit, jochie. Verhoeff is toen samen met nog veertig man vermoord door de zwarten daar.’
    ‘Nee, nee, hij leeft nog. Mijn pa was met het schip van Jan Pieterszoon Coen mee. Dat maakte wel deel uit van de vloot van Verhoeff, maar het was toen net met een verkenningstocht bezig,’ wist Simon. Hij kende het verhaal over het Verraad van Banda allang. De admiraal en een aantal van zijn gezellen waren lafhartig omgebracht omdat de inlanders zich niet wilden onderwerpen aan de Compagnie. Intussen hadden de hoofdmannen van de Specerijeilanden de vestiging van factorijen en forten op hun eilanden moeten toestaan, en dat was zoals het hoorde, want hoe kon de Compagnie anders handeldrijven?
    Simons vader had niet tot de slachtoffers van het Verraad van Banda behoord, hun namen waren genoegzaam bekend. Zijn pa leefde. Waarschijnlijk was hij opgeklommen tot de rechterhand van gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen, en de enige reden dat ze niets van hem hoorden, was… Hier draaide de fantasie van Simon overuren. Bij de bevoorrading van de Compagnieschepen werd voor de heen- en terugreis naar de Oost uitgegaan van een periode van dertig maanden; dat wist hij door zijn werk in de haven. In die tijd kon er veel gebeuren. Vloten kregen nieuwe orders en routes toegewezen, schepen vergingen of werden gekaapt, berichten werden verhaspeld, brieven gingen verloren. Een ongeluk zat in een klein hoekje. Voorlopig hield Simon het erop dat er iets was misgegaan met de brieven die zijn vader naar huis had gestuurd en het geld dat aan zijn vrouw en kind uitbetaald had moeten worden.
    Simon was eenmaal op eigen houtje naar het Oost-Indisch Huis aan de Kloveniersburgwal gegaan, maar daar had men hem gezegd dat ze geen informatie over hun dienaren verstrekten aan derden, en dat hij maar terug moest komen met zijn moeder en een transportbrief als bewijs dat de drie maanden loon die verwanten per jaar konden opeisen hen toekwamen.
    Die brief was ze al heel lang kwijt, vertelde zijn moeder, en zonder betaalden ze bij de Compagnie geen gage, hoe hoog of laag je ook sprong. Daarom was ze wasvrouw geworden. Simon vond het maar oneerlijk. Later bedacht hij dat zijn vader misschien wel een vals bericht had gekregen dat zijn vrouw en zijn zoon waren overleden. Misschien had hij een boodschap ontvangen die voor een ander bedoeld was. Simon drong er bij zijn moeder op aan dat ze een brief zou meesturen met de volgende vloot, en ze zei later dat ze dat had gedaan.
    Op een of andere manier gebeurde er nooit iets, wat hij ook ondernam, maar één ding stond voor hem vast. Zijn moeder was geen hoer en hij was geen bastaard. In het donker staarde hij voor zich uit terwijl zijn hand de lange dunne vlecht van zijn moeder op het hoofdkussen streelde en zijn buik zachte plofgeluidjes maakte.

Toelichting van Jacqueline Zirkzee
De roman Reimer zou de Gouden Eeuw in een nieuw licht laten zien. Vanaf het begin had ik mijn hoofdpersoon Reimer helder voor ogen: een buitenbeentje, iemand die de gevestigde orde niet voor lief zou nemen. Ik wilde hem zo dicht mogelijk op de huid zitten, om de lezer bij zijn avonturen te betrekken en zijn gedachtegang ‘up close and personal’ te laten volgen. Daarvoor gebruikte ik in eerste instantie het meest voor de hand liggende instrument van de schrijver: ik schreef de eerste versie van het manuscript in de ik-vorm. Het werkte niet. Het tijdperk, de reis, de verwikkelingen – ze vroegen allemaal om een breder perspectief dan ik ze vanuit Reimers noodzakelijkerwijs beperkte oogpunt kon bieden.
    De tweede versie, in de derde persoon enkelvoud, was breder van opzet en gaf mij als schrijver en Reimer als personage meer ruimte. De scheepsjongen Simon groeide uit van een bijfiguur tot een volwaardig karakter. Zijn achtergrond werd uiteengezet als een terugblik.
    Toen ik met mijn redacteur aan de slag ging met wat ik in mijn blog de transformatie van een roman noem, hamerde ze op de focus die op Reimer moest liggen. Hij was degene die haar interesseerde, niet de anderen om hem heen, zijn opponent Hans uitgezonderd. Dat klopte helemaal met het gevoel waarmee ik dit verhaal was begonnen en ik realiseerde me dat ze gelijk had. Ik schrapte alle bijzaken en al te uitgebreide bijrollen, al kostte het me moeite afscheid te nemen van Simon. Hij bleef weliswaar aanwezig, maar zijn rol in de roman is puur functioneel geworden. Toch staat hij opmerkelijk stevig op papier en dat komt denk ik mede omdat ik precies weet waar hij vandaan komt, al wordt dat in de roman nergens met zoveel woorden uitgelegd. In die zin heeft deze ‘deleted scene’ wel degelijk een rol gespeeld bij de totstandkoming van het boek.

***

jacqueline-zirkzee-2011-4small-e1367510649946Jacqueline Zirkzee (1960) is historica en reisde voor haar werk jarenlang de wereld rond. Haar artikelen over kunst, cultuur en reizen werden geplaatst in tijdschriften in binnen- en buitenland. De afgelopen vijftien jaar heeft ze zich vooral gericht op het schrijven van boeken en artikelen, ghostwriting en redactiewerk met haar eigen tekstbureau. Reimer is haar vierde roman. 

trailer

Share Button

geef een reactie