Lucien Roosen | Fragment uit De reis van Willem Rubrouck

Lucien Roosen, een van de genomineerden voor de Boekenmakersbendeprijzen 2015, zal 22 oktober een nieuw boek pitchen in de halve finale van Manuscripting. Hieronder is alvast een fragment te lezen uit De reis van Willem Rubrouck. Rubrouck was een fransiscaan die voor Marco Polo zelfs maar geboren was al afreisde naar Mongolië, waar hij werd ontvangen door de heersende Khan. Dit nog ongepubliceerde manuscript van Roosen gaat over de jaren die aan deze reis voorafgingen.

lucienHet is moeilijk te begrijpen wat het is om in Vlaanderen geboren te worden als het u niet is overkomen. In dat deel van de wereld drukt de hemel op de aarde als een deksel op een pot. De wolken vallen er als een deken over de ziel. Hoezeer die ook smacht naar het azuur, verlangt naar het eindeloze blauw dat slechts komt piepen op klare winters en zomerse hondsdagen. Hier versmacht het hemelgrijs de boreling na in de wieg, bedrukt elkeen die met vleugels is geboren, duwt hem neder in nevelen van nat en grauw, vult de neus met beestenmest, overstemt het jeugdig krijsen met dat van de zeugen. Het huilen tegen de hemelen verstomt bij het kelen van de zwijnen, met hun uit de buik gutsende darmen verdrinkt ook de drang zich te verheffen. Het tedere trillen van ‘t gemoed vergaat in het gesnater van ganzen en hoenders, het loeien van de koeien, het blaffen der honden. De naar harmonie smachtende geest moet het doen met nooit aflatend klokkengelui. In Rubrouck wonen mens en dier in één huis. Iedereen is er boer, iedereen heeft er beesten, iedereen bewerkt er het land, de buiken zijn gevuld, de kruiken staan op barsten, kuikens en kinders vetten er goed. Ieder kent zijn plaats en wie doet wat God en heer Rubrouck beveelt, kent kommer noch kwel. De ban is hier geen verknechting maar bron van veiligheid, reden tot vrolijkheid. We zijn in de jaren 1200 na de geboorte de Heer. Wie hier ter wereld komt, is geboren met wortels aan de voeten en een glimlach op de lippen. Vrolijk verzonken in vlaamse klei. De knecht knakt een kruik en graait in het hooi naar het mooie meisen. Men zingt, men danst en gooit met modder. Hier cultiveert elk gehucht een accent dat ze drie dorpen verder als een vreemde taal beschouwen. Vanop de kerktoren van Rubrouck zijn op klare dagen zes andere torens te zien. Vaak schoner en hoger dan die stal met aanbouw die ze in Rubrouck het huis van God noemen. Willem mocht van zijn vader – de heer van Rubrouck – oneindig veel vrijer bewegen dan de horigen die het gros van de parochie uitmaakten. Maar de veel te slimme jongeman voelde zich een vogel in een kooi; opgesloten zelfs bij het beklimmen van de kerktoren. Uitkijkend over het platte land benoemde de jongen er de torens van de omliggende dorpen: Arneke, Scheure, Peene, Bolle, Broeck en Hove. Hun namen zaten eeuwdiep in de grond verzonken.

Er heerste al zolang vrede dat de dwarsbalk niet meer in de poort paste, de gracht vol water stond, zwaluwen nestjes maakten in de schietgaten en de moedeloze waakhond wezenloos zijn koertje afdweilde. Dat was als het niet regende of de zon te hard scheen; dan kroop hij als een oude filosoof in zijn lege ton.
Maar de ware rijkdom schitterde vanbinnnen. Overal blonk het koper- en zilverwerk, weelderige wandtapijten beschermden de kamers tegen de kou, de linnenkasten puilden uit, de tonnetjes wijn en patersbier stapelden zich op in de kelders en eikenhouten schatkisten kraakten onder hun gulden last. In de wapenzaal staarden glazige blikken van wilde beesten van tussen de lansen en hellebaarden naar een arsenaal van alle tijden en gebieden; van de Sarasijnse kromzwaarden over inheems puntige ponjaarden tot de Keltische kortzwaarden en de maliënkolders der Noormannen. De grote spies in de keuken kon een heel everzwijn braden, de bidkapel was verguld als het oratorium van een vorst. Er bevond zich zelfs een voorchristelijke offersteen achter het tabernakel van wiens gebruik de goede heer zich onthield er van uitgaande dat in zijn huis geen plaats is voor afgoderij. Steeds gehuld in een hermelijnen mantel liep hij door het huis, sprak recht over zijn vazallen en bedaarde burenruzies.

Als ridder Rubrouck ‘s winters thuis was kende men zijn melancholie. Stille dagen gingen voorbij. Hij liet zich verhalen voorlezen, uitkijkend over de velden naar de neerdwarreldende sneeuw. Zijn ega was heel blank van huid en fier en ingetogen; naar afkomst was zij zeker niet de mindere van haar echtgenoot. Haar elegantie kon ze niet verbergen. De sleep van haar kleed hing onveranderlijk drie passen achter haar aan. Haar huishouden liep gesmeerd als een kloosterorde, elke morgen kreeg elk van haar dienaressen persoonlijk haar taken voor de dag, ze zag eigenhandig toe op het maken van de confituren, blonk uit in fijne broderie en maakte zelf de altaarstukken. God verhoorde haar gebeden en schonk haar veel zonen.

Bij elke geboorte was er in Rubrouck een feest met zang en dans dat twee nachten en drie dagen duurde bij het licht van de fakkels. De hoge genodigden aten er de meest exotische kruiden en gebraden hoenders groot als lammeren; er liep een zotskap rond op zijn handen, er sprong een dwerg uit de pastij en er kwam steevast zoveel volk zuipen op kosten van de heren van Rubrouck dat bekers ontbraken om alle dorstigen te laven en men mede moest drinken uit oliphanten.

Natuurlijk wou Willem ridder worden. Net als zijn vader, net als zijn oudste broer, maar het ridderschap was voor hem niet bereikbaar, als jongste zoon van ridder Rubrouck kon hij alleen de tonsuur, nooit de oorkonde krijgen. Dat was zo. Zo zeker als het opkomen van de zon of het klinken van het Angelus. Niet dat een leven in habijt een trieste zaak moet wezen. Een prelaat van goede afkomst kon voorgaan in de stoottroepen van het geloof, de legers van de paus waren niet minder gevreesd dan die van de keizer. Maar voor een jonge rekel gaat niets boven het redden van ongerepte maagden uit de klauwen van boze belagers. Wat is spannender dan met maliënkolder en zwaard behangen vanop een onverdroten ros vuurbrakende draken verslaan?

Share Button

geef een reactie