Niels ’t Hooft | De eerste pagina’s van De verdwijners: Hoe een roman gaandeweg kan veranderen

Een maand geleden verscheen De verdwijners, de derde roman van Niels ’t Hooft. Hij schreef in NRC al over het lezersonderzoek dat hij over deze in de nabije toekomst spelende roman heeft opgezet. In dit artikel vertelt hij over de manier waarop zijn boek veranderde door de eerste versie van de openingsscène te vergelijken met de laatste.

verdwijnersOMHoe verandert een boek tussen de eerste ruwe versie en de uiteindelijke tekst? Flink! Zo is mijn nieuwe roman De verdwijners bijna de helft langer dan de eerste versie die ik een jaar geleden inleverde bij mijn uitgeverij. Ik heb de volgorde veranderd, stukken geschrapt, en vooral heel veel nieuws toegevoegd. Dat allemaal naast elkaar leggen zou een interessante, maar tijdrovende exercitie zijn, zowel voor de auteur als voor de lezer.

Laat ik het in eerste instantie houden op een kijkje op microniveau. Ik heb de opening van het boek, de eerste anderhalve bladzijde, naast de allereerste versie gelegd. Een versie die nog verder teruggaat dan de ‘first draft’: dit was de opening van het proposal dat ik twee jaar geleden opstuurde naar literair agent Paul Sebes, dat later ook Uitgeverij AtlasContact bereikte. Ik had toen nog maar ongeveer een zesde van het boek uitgewerkt, en nog niet alle elementen waren uitgekristalliseerd.

Ten eerste de opening van het proposal (561 woorden):

Marthes hoofd zoemt. Ik hou gewoon heel erg van dansen, zegt ze tegen zichzelf in de spiegel. Ze spreekt de woorden niet hardop uit, maar maakt de bewegingen met haar lippen. Het ziet er niet gek uit, als iets waarin ze wel kan geloven. Er klinken doffe dreunen door de wanden – toch vindt ze het aangenaam stil. Hier kan ze diep ademhalen. Haar plan evalueren, of het gebrek eraan. Bepalen hoe het verder moet.

Ze kijkt naar het meisje tegenover zich – zijzelf, weerspiegeld in de wand van de damestoiletten. Het glas loopt van plafond tot wasbak, van muur tot muur. Het is er matig verlicht – de spiegeling maakt de ruimte effectief dubbel zo groot. Het beeld van een grot komt in haar op – diep bij haar van binnen is dit geen damestoilet maar een hol in de grond. De mensheid bevindt zich op grote afstand. Ze merkt dat ze kippevel heeft gekregen.

Ze bestudeert haar beeltenis. Normaal postuur. Medium borsten. Lang blond haar. Een bekend gezicht: blauwe ogen, een doodgewone neus en, als ze kritisch is, iets te grote oren. Ze beschouwt haar uiterlijk als gemiddeld en is er tevreden mee – met een beetje hulp van de cosmetica- en modebranches kan ze het tijdelijk opvijzelen tot het niveau dat nodig is om aandacht te trekken, en dan niet van de hele wereld tegelijk. Ze vindt het belangrijk te beseffen dat ongelimiteerde aandacht uiteindelijk ongewenst is. Die gedachte brengt een glimlach op haar gezicht. Er ligt een waas over haar huid – transpiratie. Ze voelt stofjes knisperen in haar bloedbaan. Haar hart klopt langzaam rustiger. Niemand zal haar vermoeidheid detecteren. Daarvoor zijn haar make-up en jurk te uitgekiend, teveel bliksemafleider. Bovendien: ze is eerder moe in haar hoofd dan in haar lijf.

Ze zegt het nog eens, dit keer met geluid: ‘Ik hou gewoon heel erg van dansen.’ Nu de gedachte is uitgesproken, neemt hij vastere vorm aan en lijkt hij waarachtiger. Maar het blijft een vals alibi – in werkelijkheid weet ze niet precies waarom ze hier is. Kan ze er geen rationele argumenten voor bedenken. Komt ze niet verder dan: ik ging gewoon.

http://www.youtube.com/watch?feature=player_embedded&v=PRbIJ7tDyTc

Bekijk ook de trailer van De verdwijners.

De deur gaat open en de dreunen zwellen aan tot housemuziek – in één teug zuigen de damestoiletten zich vol met lawaai. Een meisje komt binnen en loopt achter Marthe langs naar de uiterste wc. Vanuit haar ooghoeken volgt ze haar, via de spiegel. Het meisje roept een gevoel van herkenning op, maar ze weet niet direct waarom. Ze is kleiner dan zij en vermoedelijk even oud – ergens begin twintig. Als ze niet zo nors keek, haar wenkbrauwen niet zo fronste, zou ze doorgaan voor opmerkelijk knap. Tijdens haar wandeling werpt ze één blik in de richting van de spiegel, maar het is Marthe niet duidelijk of ze de reflecterende glasplaat als zodanig herkent of er dwars doorheen kijkt – wat niet raar zou zijn. De scheiding tussen origineel en reflectie kan zomaar over het hoofd gezien worden. Dikke kans dat ze denkt dat er een meisje op een meter afstand aandachtig staat te kijken naar iemand die opvallend veel op haar lijkt. En heel even komt in haar op: stel ze heeft gelijk. Stel we turen naar een gat in de aarde. Dan bereikt het meisje het wc-hokje. De deur van de damestoiletten is dichtgevallen en de relatieve stilte teruggekeerd.

Wat moest hieraan veranderen? Ten eerste kleine dingen: zo heb ik het gedachtestreepje afgezworen, al was het omdat ik het hierboven verkeerd gebruik, als een soort puntkomma. (Die ik trouwens ook bij wijze van stijlkeuze niet gebruik.)

Ten tweede: Marthes grote probleem zit er nog niet in. Haar zus is verdwenen, ze is verschrikkelijk verdrietig en dáárom worstelt ze om zichzelf een houding te geven. De reden waarom dit element ontbreekt is simpel: ik had het nog niet verzonnen. Marthe is nu ‘zomaar’ neerslachtig en op zoek naar contact met anderen. Daar moest haast wel iets achter zitten, maar het duurde even voordat ik iets had gevonden wat ook aansloot op de andere aspecten van het boek.

In de first draft zat de zus al wel, maar omdat ik niet te veel aan al geschreven hoofdstukken wilde sleutelen voor het hele verhaal op papier stond, introduceerde ik haar pas halverwege. Zo werd deze opening het begin van een trage opbouw naar een onthulling toe. Maar in De verdwijners zaten al plenty andere onthullingen, dus besloot ik het in de tweede versie radicaal anders aan te pakken: de zus moest erin, en wel meteen. Aan die tweede versie is nog veelvuldig geschaafd, maar voor het overgrote deel is het wat je in de uiteindelijke opening (van 485 woorden) kunt lezen.

Persoonlijk vind ik het eigenlijk vooral grappig om te zien hoeveel er toch nog is overgebleven van een aanzienlijk herschreven begin: de opmerkingen over het “gemiddelde uiterlijk”, de karakterisatie van de club als een soort druipsteengrot waarvan de dimensies door alle spiegels onduidelijk zijn. Dit geldt niet voor de laatste alinea, want in de introductie van de tweede vrouw (Lua, oorspronkelijk Isobel, zoals de zus nu heet) is een stuk radicaler gesneden, met als doel om sneller to the point te komen. Actie, actie!

foto: Merlijn Doomernik

foto: Merlijn Doomernik

Niels ’t Hooft (1980) is auteur en journalist. Voor nrc.next schrijft hij over games. De verdwijners is de derde roman van ’t Hooft. Eerder verschenen van hem de romans Toiletten en Sneeuwdorp. Toiletten werd genomineerd voor de Debutantenprijs 2004. 

Share Button

geef een reactie