Paul Gellings | fragment uit Augustusland

 
AUGUSTUSLAND voorkantkopieDe nieuwe roman van Paul Gellings, Augustusland gaat over een als museum-conservator werkzame tekenaar. Hij kijkt terug op de zomer waarin zijn vrouw wordt geveld door een ernstige hersenaandoening, terwijl men hem op zijn werk probeert te marginaliseren. Daarnaast volg je als lezer bij tijd en wijlen een mysterieuze wandelaarster door een niet minder mysterieuze landstreek. Maar al begint de hoofdpersoon zijn verhaal vanuit een onbestemd gevoel van rouw en gemis, al vertellend gaat hij de dingen wel steeds beter begrijpen. Lees hieronder twee fragmenten over de wandelaarster.

***

Ze weet niet hoe laat het is. Of het een ochtend, een middag of een avond is. Of de dageraad misschien. Maar dit is geen dageraad en al evenmin een droom. Ze verbaast zich over de verlaten kamers in haar anders zo springlevende huis. Dan daalt ze de trap af en laat de voordeur geluidloos achter zich dichtvallen.
    Hoe kan ik het doen? denkt ze bij het betreden van het parkje aan de overkant. Ik heb me niet eens aangekleed.
    Maar aan de andere kant van het parkje merkt ze dat ze een wit T-shirt en een geruite bermuda draagt. Niet dat het veel uitmaakt in de toestand waarin ze verkeert en niemand haar waarschijnlijk ziet – als er al iemand zou zijn op dit vreemde uur, in deze stad die wel en niet haar woonplaats is, en die ze gaat verlaten.
    Voor haar nu een lege straat geflankeerd door blinde muren. Bijna een abstract schilderij. Alles grijsachtig zonder aanwijsbare lichtbron. Geen verschiet. Ze voelt geen trottoir onder haar voeten – of voelt ze haar voeten zelf niet? Je zou het zweven kunnen noemen als je het per se in woorden wilt uitdrukken.
    Alle ramen in de laatste huizenblokken ogen zwart als pupillen. Op één na, in een soort landhuis dat niets te zoeken heeft in deze stadse omgeving. Het staat wijd open, met een brandende kroonluchter erachter en laat klarinetspel naar buiten vloeien, donkere tonen, alt.
Wie woont daar? Wie speelt daar? Er is geen schaduw of gestalte te zien, geen beweging waar ze wat wijzer van zou kunnen worden, alleen een lichtbruine muur met een okergeel landschapje waarvan ze de details niet goed kan zien.
    Ze zou wel even halt willen houden onder dat raam, maar dat gaat niet. Dus gaat ze half omgedraaid verder, in de hoop dat ze er geen kramp in haar nek van krijgt. Ze voelt alleen geen pijn en op het moment dat de stilte haar omhult als dons kijkt ze weer voor zich, een tikkeltje weemoedig vanwege de weggestorven klanken.
    De straat gaat over in een lint van grind en asfalt dat door een licht glooiend gebied kronkelt. Groenblauwe coulissen, een bosje rondom een drinkplaats voor het wild, een kamerscherm van populieren. Fletse velden, zoals ze erbij liggen wanneer in maart de sneeuw begint te smelten. Maar het is geen maart. De lauwe temperatuur die hier hangt doet denken aan hoogzomer, de stilte aan een film waarin het geluid is weggevallen. De vraag rijst waar het licht hier vandaan komt, of het zonlicht is, of je hier binnen of buiten bent.
    Ze weet het niet. Ze weet alleen dat ze ergens is uitgenodigd, dat ze er niet naar toe hoeft en dat een onzichtbare kracht haar toch voortduwt. Of trekt. Wonderlijk genoeg voelt het allemaal heel vertrouwd, alsof ze dit al eens eerder heeft beleefd. Een vlakke stem praat af en toe tegen haar. Iets of iemand van het ‘Secretariaat’, die haar wat vertelt over onbegrijpelijke regels en procedures.
    Het is geen uitleg, zo wordt steeds nadrukkelijk gezegd, en ze moet zelf al helemaal geen moeite doen het te begrijpen. Dat is nog nooit iemand gelukt en wie het wel probeert heeft dé manier gevonden om binnen de kortste keren gek te worden. Nee, ze kan beter genieten van haar tocht over de weg die haar als een roltapijt op een vliegveld dieper en dieper het lieflijke landschap in draagt.

[…]

Er gloort nu toch iets als een dag, een begin, een ochtend, hoewel het net zo goed een namiddag kan zijn. Het licht in elk geval is feller en komt ongetwijfeld van de zon, een zon die zacht voelt aan haar hals en hoofd. Ze begint zowaar plezier te krijgen in haar wandeling.
    Ze komt langs een houtwal die met een rij zilverberken van de weg afbuigt en naar beneden loopt in een valleitje. Ze weet nu dat het in een minuut tijd middag is geworden, dat ochtend en middag samenvloeien en dat – waarom is haar niet duidelijk – het hier altijd middag is. Ze nadert een kruispunt.
    In het midden daarvan, een witte zwerfkei waarop een vos zit, zijn achterpoten als benen elegant over elkaar geslagen. Met een voorpoot geeft hij aan dat ze rechtsaf moet. Hij draagt een leesbril, zijn vergrote ogen kijken haar doordringend en bezwerend aan.
    ‘Wie ben jij nou weer?’
    Geen antwoord.
    ‘Hebben we elkaar niet eerder ontmoet?’
    ‘St.’
    Hij houdt een rossige wijsvinger tegen de zijkant van zijn lippen.
    ‘Ben jij soms weggelopen uit Alice in Wonderland?’ houdt ze aan.
    ‘Nee,’ antwoordt de stem van het Secretariaat. ‘En bovendien mag de vos niets zeggen. De vos is een ambtenaar.’
    ‘O, ik dacht anders…’
    ‘Je kunt zoveel denken, en je gedachten kunnen bij wijze van houvast de vorm aannemen van wat je ooit hebt gelezen, maar daarmee weet je nog niet hoe het zit.’
    ‘Heel tegemoetkomend zijn jullie niet, en niet zo mededeelzaam.’
    ‘Dat zijn we ook niet verplicht. Bovendien hebben we je op dit punt niets te vertellen. Je moet eerst naar het landje; eerder begrijp je het toch niet.’
    ‘Welk landje?’
    ‘Vraag niet zoveel. Je komt er vanzelf achter.’
    Ze haalt haar schouders op, loopt, nee, glijdt verder, in een bomentunnel die overgaat in een houten kathedraal waar groen gefilterd licht schuin in valt zonder dat duidelijk wordt waar het vandaan komt. Het is een oude, bollende weg, straatklinkers uit vroeger dagen.
    Ze probeert te begrijpen waar ze is. De omgeving lijkt op het platteland waar ze haar jeugd heeft doorgebracht. Op het moment dat ze denkt dat het er wel erg stil is, dat je vogels zou moeten horen, een tractor, honden in de verte, laat een warme windvlaag het blad boven haar ruisen.
    Nee, het is hier zo beroerd nog niet, bedenkt ze zich, en langzaam slinkt het laatste restje spijt om haar verlaten huis. Er was daar toch niemand meer. Onbegrijpelijk, maar wat heb je in je huis nog te zoeken als iedereen daar allang is vertrokken? Alles wat ze kwijt is zal nu wel voor haar liggen en straks haar kant uitkomen. De verte is leeg, bijna ook zonder horizon, maar wat zegt dat? Je ziet hier veel – alleen wat er werkelijk aan de hand is, wie hier achter zit of zitten, dat alles blijft verborgen. Of is dit het? Zul je het hier mee moeten doen, met dit wazige licht in een sprookjesland waar het sprookje uit is?
    ‘Zoiets, ja,’ zegt de stem. ‘Zo mag je het best noemen.’
    ‘Dus ik zit er niet helemaal naast.’
    ‘O, praat toch niet zoveel. Alleen als je zwijgt heb je gelijk.’
    ‘Is dat een regel van hier?’
    ‘Exact. Je moet een deel zijn van de stilte. Proberen althans.’
    Ze zucht bij zoveel raadselachtigheid en weet tegelijk dat er geen raadsel is, dat niemand haar raadseltjes opgeeft of spelletjes speelt.
    Dus verder maar, verder en verder, op het zacht wiegende ritme van de bomen in de zomerwind, op de herinnering aan de muziek die ze aan de rand van de stad hoorde, die fluwelen klanken die nu even terug lijken te komen terwijl hier nergens toch een open raam is, laat staan iemand die op zijn klarinet speelt onder een kroonluchter. Alles gaat vanzelf en het heeft geen zin haar gevoelloze hakken in het landweggetje te zetten dat langzaam maar onstuitbaar onder haar door glijdt.
    Plotseling wordt ze ingehaald door de bebrilde vos. Hij stuift voor haar uit in een wolk stof en springt dan over een houtwal, om over de schuin aflopende helling erachter tussen het mais te verdwijnen.
    ‘Is hij geschrokken?’
    Stilte. Ze herhaalt haar vraag.
    Maar het Secretariaat zwijgt, ondanks de vragen die ze blijft stellen, het lichte protest dat ze laat horen omdat ze hier niet zelf voor heeft gekozen. En dan te bedenken, zegt ze bij zichzelf, dat ik dacht te weten wat eenzaam was. Dít is pas eenzaam.

***

foto: Henk Veenstra

foto: Henk Veenstra

Paul Gellings (1953) debuteerde in 1990 als dichter bij de Arbeiders-pers, zijn eerste roman Witte paarden verscheen in 2001 bij De Geus en sinds 2010 verschijnen zijn boeken bij Uitgeverij Passage. Behalve schrijver en dichter is Gellings vertaler, schrijfdocent en francofiel.

Augustusland ligt in de winkel vanaf 18 april 2013. Bekijk dit filmpje om de auteur een fragment te horen voorlezen.

Share Button

geef een reactie