Voorpublicatie | De brand in alles van Peter Drehmanns

BrandInAllesDe nieuwe roman van Peter Drehmanns De brand in alles is zowel een comedy of errors als een noodlotsdrama. België wordt geteisterd door een hittegolf als de Nederlandse locatiescout Bram Kiezel in de (fictieve) Brusselse randgemeente Helst arriveert. In dit even protserige als verpauperde oord zoekt hij aan de hand van een script geschikte plekken voor een film over een pyromaan en een decadent Belgisch gezin. Terwijl hij zijn werk probeert te doen, wordt hij echter geconfronteerd met vandalisme, dwaalsporen en bizarre gebeurtenissen. Daarbij zijn de bewoners van het Twin Peaks-achtige Helst weinig toeschietelijk. De brand in alles ligt nog niet in de winkel, maar hieronder kun je alvast het hoofdstuk lezen met als titel Kamer 8.

Verdomme, daar was er weer een. De zevende al. Opnieuw greep hij het tijdschrift dat hij in het laatje van het nachtkastje had aangetroffen. Op de cover prijkte het pontificaal uitgestalde onderlijf van een vrouw, compleet met schaamspleet en roetzwart schaamhaar. Een reproductie van Courbets beroemde schilderij L’Origine du Monde. Dat hij daarmee al zes muggen had doodgemept vond hij ronduit grappig. Als Lise zou bellen om hem te vragen wat hij zoal had uitgespookt, kon hij haar vertellen dat hij met een kut aan plaagdierbestrijding had gedaan. Voordat hij het tijdschrift tot een slagwapen oprolde keek hij nog eens naar de afbeelding. Het schaamhaar, dat hem deed denken aan een berg vergruisde steenkool, was inmiddels besproeid met een mengsel van muggen- en mensenbloed.
   Tjak, daar daalde nummer zeven ten grave in de spelonk boven het perineum.
   Op de muur boven het bed prijkten nu drie geplette muggen en wat bloedvegen. Naast de kast bevonden zich eveneens sporen van de slachting. De kamer werd er niet fraaier op. Drieveertig bij viervijftig mat hij, zo had Kiezel eerder vastgesteld. Een kwestie van beroepsdeformatie, altijd willen weten hoe groot een ruimte is. Hij had met zijn rolmaat onder het bed (tussen de stofnesten!) moeten kruipen en met behulp van de oplichtende display van zijn smartphone het correcte getal afgelezen. Exact dezelfde afmetingen die zijn vroegere kamer in het huis van zijn ouders had. Toen gebruikte hij een zaklamp om iets te kunnen zien in het duister. Iets: in zijn kindertijd was dat zijn postzegelverzameling, die hij in bed, terwijl hij geacht werd te slapen, bekeek. Later, toen Robert bij hem woonde, waren het boeken geweest, die hij fluisterend voorlas aan zijn blinde vriend.
   Het bed in de hotelkamer stond abnormaal hoog op zijn poten: negentig centimeter. Voordat je lichaam mocht uitrusten moest het nog een kleine krachtsinspanning leveren om op de matras terecht te komen. Ook de toiletpot, zo had hij vastgesteld, bleek een onpraktische hoogte te hebben: zestig centimeter (inclusief de wc-bril).
   Kiezel liep naar de badkamer om een stuk wc-papier af te scheuren waarmee hij de bloedvlekken kon verwijderen. De muren werden er nauwelijks schoner door. Het bloed verspreidde zich eerder dan dat het verdween. Lise had nog altijd niks van zich laten horen, vreemd. Kwam het door die afleidende gedachte dat hij het papiertje niet in de wc-pot gooide (wat logischer was geweest) maar de klep van het afvalemmertje onder de wasbak opende? De rode cilinder was tot aan de rand gevuld met overtollige objecten: een simkaart, flosdraad, een leeggeperste tandpastatube, volgesnoten of -gespoten papieren zakdoekjes, een flacon met een bodempje aftershave van het merk Azzaro. De relicten van een handelsreiziger, vermoedde Kiezel.
   Hij rechtte zijn rug. Nu hij hier toch stond kon hij net zo goed zijn handen wassen. Als een uitgespuugde hostie lag een stuk zeep in het porseleinen kuiltje van de wasbak. Kiezel wreef het al gebruikte schijfje tussen zijn handpalmen totdat er een vuilwit schuim omhoogbloemde. Hiermee had die handelsreiziger zijn door talloze handdrukken en demonstraties bemorste poten vast en zeker schoongemaakt, mogelijk zelfs niet lang nadat hij kijkend naar de kut van Courbet aan zijn pik had getrokken. De handdoek zag er schoon uit maar voelde klam aan. Godsamme, die vrouw van het hotel mocht dan wel prachttieten hebben en een prettige tongval, erg proper was ze niet.
   Hij overwoog naar beneden te gaan om zijn beklag te doen maar misschien werd hij daar wel opgewacht door de Deense dog, die luchtsteun kreeg van de papegaai. En misschien zou de Perzische kat zijn bajonetscherpe nagels in hem planten als hij het waagde uit te varen tegen de vrouw. Nee, laat maar hangen, dacht hij. Zo erg was het nou ook weer niet. Van een klus in Moldavië voor een Nederlands-Roemeense film had hij geleerd dat het geweldig hielp als je viezigheid als een vorm van couleur locale beschouwde.
   Vanuit een verre holte van het hotel kwam een geluid op hem afgedwarreld dat veel weg had van babygehuil. Of was het een jammerende kat?
   Kiezel liep terug naar het bed. Voor de nachtrust was het nog te vroeg, voor sightseeing te laat. Soms zou het verdomde wenselijk zijn als je je ergens tussen binnen en buiten kon ophouden. Niet in een kamer die zuchtte onder het gewicht van de zoveelste bezoeker, niet op een door voorbijgangers platgetrapte straat. Nee, in plaats daarvan zwevend in een kier daartussen. Het dichtst bij die toestand kwam je misschien als je meisje iets in je oor fluisterde terwijl ze zich niet in dezelfde ruimte bevond als waar jij was. Dankzij een telefoon fladderde je dan ergens tussen hier en daar, was je zowel af- als aanwezig.
   Glimlachend om zoveel verheven gedachten deed Kiezel het raam weer open, het licht uit. Ook als je niet werkte moest je voortdurend beslissingen nemen. In dit geval: raam dicht = verslonden worden door de hitte; raam open = opgevreten worden door de muggen. Hij klauterde het bed op en met behulp van zijn oplichtende mobieltje bekeek hij een folder die op het nachtkastje had gelegen. Opgekruld in een kuil van de slappe matras las hij:

Hotel Tannine ligt aan de rand van het Zoniënwoud, op slechts vijftien kilometer van Brussel. Het hotel dankt zijn naam aan de stof die men aantreft in de dikke en zachte schors van de in het Zoniënwoud frequent voorkomende mammoetbomen. Tannine werkt vuurremmend en biedt bescherming tegen schimmels en bacteriën. De mammoetboom kan nochtans niet overleven zonder vuur, daar de kegels met zaden die soms jarenlang aan de boom hangen, pas opengaan bij extreme hitte. Om te kunnen kiemen vergen de zaden bovendien een uiterst minerale bodem, die eerst na een hevige bosbrand kan ontstaan. Daarbij blijft de mammoetboom gespaard vanwege zijn dikke schors, die aanvoelt gelijk een spons.

Behalve mammoetbomen bezit het Zoniënwoud statige beukenmassieven, maar u treft er ook de inlandse eik, de veldesdoorn, de es en de boskers aan. In groten getale aanwezig is de roodbruine Europese eekhoorn alsmede de Siberische grondeekhoorn, een wangzakeenhoorn uit Noord- en Oost-Azië die zich goed heeft ingeburgerd. Het woud is ook een broedgebied voor de buizerd, sperwer, havik en

Pats! Nummer acht legde het loodje in kamer 8. Een broedgebied voor de Anopheles Funestus, dacht Kiezel. Als hij dadelijk in slaap viel zouden de muggen hem te grazen nemen, hem afgrazen, tot hij volkomen ontoonbaar was en elke Helstenaar zou wegjagen met zijn leprakop. Dan kon hij wel inpakken, ja zijn koffer pakken, missie mislukt. The Revenge of the Mosquitos – bestond die film? Hij besloot het raam weer dicht te doen. Liever een zwembadje van zweet kweken in dit kuilige bed dan ’s ochtends ontwaken in een plas van je eigen bloed.
   Staand bij het open raam rookte hij een sigaret. Van verkoeling geen sprake. Houtskoolvegen werden aangebracht en weer verwijderd op de blauwzwarte hemel. Vleermuizen. Hij moest denken aan de Biblioteca Joanina in Coimbra waar hij de vorige zomer met Lise was geweest. De tafels in dat boekenmausoleum werden elke avond afgedekt met een leren zeil om ze te beschermen tegen de uitwerpselen van vleermuizen. Die kwamen namelijk elke nacht door speciaal voor hen gemaakte openingen naar binnen om zich tegoed te doen aan insecten die zich anders hadden volgevreten met de pagina’s van kostbare boeken. Een briljante praktische oplossing. De verdelgers verdelgd, het erfgoed gered.
   Minstens zoveel indruk hadden de trompe-l’oeil-plafonds van de bibliotheek gemaakt. Diepte en hoogte gesuggereerd door virtuoze penseelstreken. Maar goed dat vleermuizen over echolocatie beschikten, anders zouden ze stuk voor stuk te pletter zijn gevlogen tegen die fake-firmamenten. Uitgezonden geluid dat wordt weerkaatst waardoor de afstand tot een prooi kan worden ingeschat – ook al zo’n briljante oplossing. Door middel van het voortbrengen van bepaalde geluiden als het ware kunnen zien. Zou die vent in die witte overall die hij vanmiddag in de villawijk was tegengekomen dat ook kunnen? Ja, sommige blinden schenen ook gebruik te maken van echolocatie, meende hij weleens gehoord te hebben. Maar misschien was die man helemaal niet blind. Misschien was hij een wandelende trompe l’oeil, haha.
   Kiezel drukte de sigaret uit op de vensterbank en knipte de peuk weg, het donkere Helst in. Als locatiescout moest je zo veel mogelijk proberen samen te vallen met de door jou uitgekozen omgeving. Een zekere minachting voor hun woongebied was de meeste Helstenaren niet vreemd. Een peuk weggooien was hier een automatisme – zolang-ie niet brandde was er niks aan de hand.
   Kiezel sloot het raam en wierp zich weer op het bed. Op nog geen meter van hem vandaan tikte een wekker. Meteen bij het binnenkomen van de kamer had hij dat groteske ding gezien: de wijzerplaat gevat in een hartvormige stalen kast met bovenop een klepel tussen twee vuurrode bollen. Een fors kloppend hart op twee pootjes, met een nachtkastje als sokkel. Ineens was ook het woord ‘nachtkastje’ hem als iets volslagen vreemds voorgekomen. Alsof de nacht in dat meubelstuk was opgeborgen, zoals medicijnen in een medicijnkastje zaten. Je opent het deurtje en je pakt de nacht, je pakt ’m vast.
   Geen asbak, wel een wekker. Een wekker die eruitzag als een hart getekend door een verliefde puber. Behoorlijk belachelijk, vond Kiezel. En irritant ook, want dat ding tikte alsof een heel leger sprinkhanen in dezelfde maat op en neer sprong. Alsof honderden eekhoorntjes tegelijkertijd hun voorpootjes tegen elkaar aan sloegen als laatste eerbetoon aan hun overreden soortgenoot. Alsof duizenden vleermuizen…
   Kiezel probeerde overeind te komen maar voelde zich net zo slap als de matras waarin hij weer wegzakte. Ruim vier meter boven hem rende een spin over de zoldering. Een verfschilfer dwarrelde naar beneden. Had hij dat goed gezien? Het was toch donker? Nee, het melkachtige schijnsel van een straatlantaarn verlichtte het werkterrein van de spin. De kamer begon te sidderen, te kraken. Een stoel hupte op hem af. Buiten klappertandde een kolossaal stalen gebit. Het duurde ettelijke seconden voordat Kiezel deze gebeurtenissen een plaats wist te geven. Tot middernacht werd hij nog herhaaldelijk opgeschrikt door een voorbijrijdende trein.
   Uren later (de fosforescerende wekkerwijzers maakten een hoek van negentig graden) worstelde Kiezel zich het bed uit om zijn blaas te legen. Even overwoog hij zich uit te strekken op de koele badkamervloer. Hij zag zichzelf al liggen: gekruisigd op Belgische tegels. Toen herinnerde hij zich het al gebruikte stukje zeep, het volle afvalemmertje. Zijn bezwete lichaam zou waarschijnlijk vooral stof vergaren. Schaamharen van de vorige gast zouden aan zijn huid blijven kleven. Mieren misschien wel.
   Hij sjokte terug naar het bed en zag, meende te zien, nee zag duidelijk iets wits liggen. Vlak bij de deur lag het, alsof het over de drempel was gekropen en zich nu schijndood hield. Kiezel bleef staan, aarzelde. Kruip toch je kooi in, joh. Morgen is het er niet meer, blijk je het te hebben gedroomd. Hij wreef in zijn ogen, deed een stap in de richting van de witte vlek. Hoorde hij de spin boven zich rennen? Onzin, het was de planken vloer die kraakte, kreunde onder het gewicht van dat witte ding. Ja, de kamer was volledig uit zijn doen door dat… dat… Hij moest het identificeren, weten wat het was, pas dan zou hij weer kunnen slapen, zou de kamer tot rust komen.
   Hij deed nog twee stappen, knielde toen. Godsamme, ik lijk wel een pelgrim, dit is al te idioot. Op hetzelfde moment dat hij zichzelf berispte zag hij wat het was. Geen albinovleermuis. Geen lichtwezen. Gewoon een envelop. Een luchtpostenvelop, dat wel. Stellig onder de deur geschoven door de vrouw van het hotel. Vermoedelijk nog wat aanvullende informatie, een instructie hoe het hotel te verlaten bij brand, zoiets.
   Kiezel pakte de envelop en klom terug het bed in. Nieuwsgierigheid was een vruchtbare eigenschap in zijn werk maar daarbuiten kon het nogal eens hinderlijk zijn. Altijd willen weten hoe het zit, waar het vandaan komt, in welke richting het wijst – dat had hem al vaker uit zijn slaap gehouden. Soms was zoiets zelfs buitengewoon contraproductief, verstoorde het de concentratie die het scouten van locaties nu eenmaal vereiste. Dat wil zeggen: wanneer tijdens het werk iets zijn aandacht trok dat niets met zijn opdracht te maken had.
   Opnieuw gebruikte hij zijn mobieltje als zaklamp. En zag: zijn naam op de voorkant van de lichtblauwe envelop, de naam M. Glacemare op de achterkant, voorafgegaan door de afkorting Mlle. Een adres ook. Krullerige letters. Meisjesletters. De envelop niet dichtgeplakt.
   Het had bijna iets onbetamelijks, vond hij, hoe hij hier in het donker, midden in de nacht in een vreemde kamer zijn hand in de envelop stak, de inhoud bevoelde. Hij grijnsde. Nee, je lijkt meer op een goochelaar. Toen hij een velletje papier tevoorschijn trok dwarrelde een kaartje op het laken. Kiezel twijfelde, legde toen het papier naast zich en pakte het kaartje op.

Bram Jozef is geboren op 21 september 2010 om 23.50 uur. Hij was veel te broos en klein om het alleen te redden. Op 22 september om 6.30 uur is mijn zoon weer afgereisd.

Een in alle opzichten raar bericht, meende Kiezel. Een geboortekaartje dat tegelijkertijd een overlijdensbericht was. Vreemd was ook dat het melding maakte van een gebeurtenis die bijna drie jaar geleden had plaatsgevonden. Naam en adres van de gedupeerde ouders ontbraken – of nee, er werd zelfs gesuggereerd dat er maar één ouder bestond. Was dat soms de afzender van de envelop, die mejuffrouw Glacemare? En dan dat woord ‘afgereisd’ – behoorlijk bezopen. Eveneens merkwaardig zijn eigen voornaam afgedrukt te zien op deze tragische boodschap.
   Terwijl hij het kaartje terugstopte in de envelop bedacht hij dat het daar allicht per ongeluk terecht was gekomen. Plausibeler nog: het kaartje zat al in de envelop zonder dat de schrijver van het velletje papier dat wist. Natuurlijk, een andere verklaring was uitgesloten.
   Inmiddels waren de laatste restjes slaap in zijn hoofd vervluchtigd. Klaarwakker ontcijferde hij de hanenpoten op het A4’tje:

U hebt hier niets te zoeken. Gaat u weg vooraleer er ongelukken gaan gebeuren. U is een doorn in ons oog. Verdwijn subiet of wij verdelgen u gelijk onkruid.

‘Oké’, mompelde Bram Kiezel. Oké. Hier was kennelijk iemand niet van hem gediend. Omdat hij een vreemdeling was? Een Nederlander? Omdat hij hier rondreed en rondliep alsof hij iets wilde achterhalen, met zijn camera, zijn vragen? Omdat men bang was dat hij dingen zou ontdekken die toegedekt moesten blijven? Een anonieme dreigbrief kon je het niet noemen want naam en adres van de schrijver stonden botweg op de achterkant van de envelop. Een vrouw notabene, een mademoiselle. Iemand die zich niet verschool maar tegelijkertijd niet de moed had hem deze woorden recht in zijn gezicht te zeggen. Die de hotelhoudster als doorgeefluik van haar dreigement had gebruikt. Of was ze zelf het hotel binnengedrongen om die brief onder zijn deur door te schuiven? Nee, onmogelijk dat iemand ongemerkt aan die Deense dog voorbijkwam. Dat beest was zo waaks als wat. Tenzij… tenzij ze de hond kende. Of was de vrouw van het hotel een vriendin van haar? Waarom zou die zich anders hebben laten lenen voor zo’n koeriersdienst, en dat nog wel midden in de nacht? Maar als zij op de hoogte was van de inhoud van de brief, dan zou ze haar eigen klant verjagen. Wat voor baat had zij daarbij?
   De muggen had hij uitgeschakeld, maar nu zoemde een hele zwerm vragen rond zijn hoofd.
   Pas toen de eerste ochtendschemer zich bedeesd aankondigde zakte Kiezel weg in een slaap die even diep en slap was als de matras die zijn lichaam omsloot.

Peter Drehmanns is schrijver en dichter. Hij werkte jarenlang als literair criticus, eerst voor Vrij Nederland, later voor NRC Handelsblad en deed een paar jaar geleden het nodige stof opwaaien door van leer te trekken tegen de Nederlandse uitgevers, die zich volgens hem steeds meer laten leiden door verkoopcijfers en voor wie literaire kwaliteit amper nog maatgevend is. De brand in alles is zijn tiende roman en verschijnt 14 januari 2015 bij uitgeverij Marmer.

Share Button

geef een reactie